Isten, áldd meg a magyart

Beluister Isten, áldd meg a magyart / Himnusz (instrumentaal)
Bladmuziek van Himnusz

Isten, áldd meg a magyart of Himnusz is het volkslied van Hongarije. De tekst werd geschreven door Ferenc Kölcsey, de muziek is van Ferenc Erkel. Het werd als volkslied aangenomen in 1844 en het eerste couplet wordt gezongen bij officiële gelegenheden. Daarnaast wordt ook vaak bij officiële gelegenheden Szózat gezongen en het Székely himnusz van de etnische Hongaren in Roemenië.

Isten, áldd meg a magyart
Isten, áldd meg a magyart
Jó kedvvel, bőséggel,
Nyújts feléje védő kart,
Ha küzd ellenséggel;
Bal sors akit régen tép,
Hozz rá víg esztendőt,
Megbűnhődte már e nép
A múltat s jövendőt!
Őseinket felhozád
Kárpát szent bércére,
Általad nyert szép hazát
Bendegúznak vére.
S merre zúgnak habjai
Tiszának, Dunának,
Árpád hős magzatjai
Felvirágozának.
Értünk Kunság mezein
Ért kalászt lengettél,
Tokaj szőlővesszein
Nektárt csepegtettél.
Zászlónk gyakran plántálád
Vad török sáncára,
S nyögte Mátyás bús hadát
Bécsnek büszke vára.
Hajh, de bűneink miatt
Gyúlt harag kebledben,
S elsújtád villámidat
Dörgő fellegedben,
Most rabló mongol nyilát
Zúgattad felettünk,
Majd töröktől rabigát
Vállainkra vettünk.
Hányszor zengett ajkain
Ozman vad népének
Vert hadunk csonthalmain
Győzedelmi ének!
Hányszor támadt tenfiad
Szép hazám, kebledre,
S lettél magzatod miatt
Magzatod hamvvedre!
Bújt az üldözött, s felé
Kard nyúlt barlangjában,
Szerte nézett s nem lelé
Honját e hazában,
Bércre hág és völgybe száll,
Bú s kétség mellette,
Vérözön lábainál,
S lángtenger fölette.
Vár állott, most kőhalom,
Kedv s öröm röpkedtek,
Halálhörgés, siralom
Zajlik már helyettek.
S ah, szabadság nem virul
A holtnak véréből,
Kínzó rabság könnye hull
Árvák hő szeméből!
Szánd meg Isten a magyart
Kit vészek hányának,
Nyújts feléje védő kart
Tengerén kínjának.
Bal sors akit régen tép,
Hozz rá víg esztendőt,
Megbűnhődte már e nép
A múltat s jövendőt!
Letterlijke vertaling
God, zegen de Hongaren
Met goede zin en overvloed,
Reik hun uw beschermende arm,
Als ze strijden met de vijand;
Lang verscheurd door een kwaad lot,
Breng hun nu een blijde tijd,
Dit volk heeft reeds geboet
Voor het verleden en de toekomst!
Onze voorvaderen bracht U
Naar de heilige toppen van de Karpaten,
Door U werd een mooi vaderland gewonnen
Voor 't nageslacht van Bendegúz.
En waar de golven ruisen
Van de Tisza en de Donau,
De dappere telgen van Árpád
Zullen er tot bloei komen.
Omwille van ons op de Koemaanse velden
Deed U de aren wiegen,
De wijnranken van Tokaj
Deed U van nectar druipen.
Dikwijls plantte U ons vaandel
Op de schansen van de wilde Turken,
En Mátyás' grimmige leger tergde
De trotse burcht van Wenen.
Maar helaas, om onze zonden
Ontstak Uw borst in toorn,
En U sloeg met Uw bliksem
In uw bulderende wolken,
De pijlen der plunderende Mongolen
Bracht U nu eens over ons,
En 't slavenjuk der Turken
Namen wij dan weer op onze schouders.
Hoe vaak niet klonk op de lippen
Van Osmans woeste volk
Op de botten van ons verpletterd leger
Een overwinningslied!
Hoe vaak stonden Uw zoons,
Mijn vaderland, op tegen Uw borst,
En werd U omwille van Uw telgen
Tot dier graftombe!
De vluchteling verborg zich en tot hem
Strekte zich het zwaard in zijn grot,
Overal keek hij maar hij vond niet
Zijn thuis in het vaderland,
Toppen besteeg hij, in dalen trad hij neder,
Smart en wanhoop naast hem,
Plassen bloed onder zijn voeten,
Boven hem een zee van vuur.
Er stond een burcht, nu slechts een puinhoop,
Geluk en blijdschap vervlogen,
Doodskreten en geweeklaag
Hebben hun plaats ingenomen.
En ach, vrijheid bloeit niet
Uit het bloed van de doden,
De tranen der kwellende slavernij stromen
Uit de vurige ogen der wezen!
God, erbarm U over de Hongaren
Getroffen door rampspoed,
Reik hun Uw beschermende arm
Op hun zee van kwelling.
Lang verscheurd door een kwaad lot,
Breng hun nu een blijde tijd,
Dit volk heeft reeds geboet
Voor het verleden en de toekomst!