Stikstofcrisis

Herkomst stikstofdepositie in Nederland in 2018[1][2]

 Landbouw (46,0%)
 Buitenland (32,3%)
 Huishoudens (6,1%)
 Wegverkeer (6,1%)
 Internationale scheepvaart (2,9%)
 Overig verkeer (2,2%)
 Ammoniak uit zee (2,2%)
 Industrie (1,0%)
 Overig (Bouw, afval, energie, etc.) (1,2%)
Waarom heeft Nederland een stikstofprobleem? - Universiteit van Nederland

De stikstofcrisis is een crisis in Nederland die in mei 2019 ontstond toen de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het Programma Aanpak Stikstof (PAS) van de overheid ongeldig verklaarde. Hierdoor mocht het PAS niet meer gebruikt worden voor het verlenen van stikstofvergunningen in de buurt van Natura 2000-gebieden. Door deze uitspraak kwamen onmiddellijk allerlei projecten (vooral in de woningbouw) stil te liggen en moest de regering dringend naar oplossingen zoeken.[3] Hoewel de stikstofproblematiek al sinds vele jaren bestond, kwamen door de uitspraak van de Raad van State naar schatting meteen 18.000 bouwprojecten stil te liggen.[4]

Drie jaar later was de crisis nog steeds niet opgelost. Inmiddels werd gesproken over een zich "voortslepende stikstofcrisis."[5]

Achtergrond[bewerken | brontekst bewerken]

De achtergrond van de crisis is de stikstofproblematiek. In Nederland wordt de bodem belast door een zeer hoge toediening van reactieve stikstofverbindingen, met name ammoniak (NH3) dat vrijkomt uit dierlijke mest.[6] Daarnaast worden stikstofoxiden (NOx) uitgestoten door verbrandingsmotoren, zoals in motorvoertuigen en in de industrie. Menselijke activiteiten waarbij stikstofverbindingen in grote hoeveelheden vrijkomen, leiden tot ongewenste effecten op de kwaliteit van bodem, water, lucht en natuur.

De crisis ontstond in 2019, maar had toen al een lange voorgeschiedenis. In 1991 werden al de eerste Europese normen vastgesteld. Europese landen zijn verplicht te voldoen aan de Habitat-richtlijn, die stelt dat in de Natura 2000-gebieden gestreefd moet worden naar een ‘gunstige staat van instandhouding’.

Met het oog op langetermijnoplossingen (tot 2030) bracht de commissie-Remkes in 2020 het rapport "Niet alles kan overal" uit. Hierin adviseerde zij de landelijke uitstoot van NH3 en NOx met 50% te verminderen ten opzichte van 2019. De NH3-doelstelling zou in bepaalde gebieden, dicht bij natuurterreinen, hoger moeten zijn.[7]

Bronnen van stikstofverbindingen[bewerken | brontekst bewerken]

Stikstofgas (N2) maakt ongeveer 78% van de atmosfeer uit en is onschadelijk voor mens en milieu. Het gaat bij de stikstofcrisis om het vrijkomen van reactieve verbindingen van stikstof, namelijk ammoniak (NH3), nitraten, en om de verschillende stikstofoxiden, aangeduid met NOx die wel schadelijk zijn.[8]

De grootste bronnen van stikstofneerslag voor Nederland in 2018 zijn respectievelijk de landbouw (46%, NH3 uitstoot)), het buitenland (32% (NOx en NH3 uitstoot)) en het wegverkeer (6% (NOx uitstoot)); verder het openbaar vervoer, scheepvaart en luchtvaart voor zo'n 1,6% (NOx uitstoot), waarbij de luchtvaart 0,1% bijdraagt.[9][10][11] Hierbij hoort wel bedacht te worden dat de neerslag uit het buitenland (32%) Nederland niet zo maar overkomt: de export van stikstofverbindingen vanuit Nederland is circa vier keer groter dan de import van stikstofverbindingen naar Nederland. Uitgedrukt in uitstoot binnen Nederland zijn de percentages van de diverse bronnen aanmerkelijk hoger.

Landbouw[bewerken | brontekst bewerken]

De stikstof die in de veeteeltsector binnenkomt in onder andere krachtvoer bedraagt 712 miljoen kg. Het grootste deel daarvan, 393 miljoen kg, wordt vastgelegd in producten waaronder vlees en eieren. De rest komt terecht in de bodem (en vandaar ook in het oppervlakte- en grondwater) en de lucht. Vooral het gedeelte dat naar de lucht wordt uitgestoten veroorzaakt de problemen in natuurgebieden.

Volgens berekeningen van het RIVM stootte de gehele landbouwsector in 2017 106 miljoen kg stikstofverbindingen uit naar de lucht, waarvan 94 miljoen kg van de veeteelt en 12 miljoen kg door vooral energieverbruik, zoals in de kassen. De grootste bron in de veehouderij is de wijze van behandeling van dierlijke mest in de vorm van drijfmest.[7] De sectoren binnen de landbouw met de hoogste stikstofemissie zijn in 2020 de melkveehouderij (53,8 miljoen kg N per jaar), de akkerbouw (15,4) en de varkenshouderij (11,4).[7]

Transport[bewerken | brontekst bewerken]

Bij verbrandingsprocessen in automotoren, maar ook in de industrie, ontstaan stikstofoxiden NO en NO2, samen aangeduid met NOx. NO oxideert in de buitenlucht door de aanwezigheid van zuurstof en soms ozon en wordt dan stikstofdioxide (NO2). NO2 is een bruin gas met een onaangename geur, dat irritatie van de luchtwegen en van de ogen, neus en keel kan veroorzaken.[12] Bij landbouw wordt stikstof uitgestoten in de vorm van ammoniak (NH3), een kleurloos gas met een sterke geur.[13] Ammoniak ontstaat voornamelijk uit mest die op het land wordt uitgereden.

Bij de berekeningen voor de luchtvaart worden alleen de vliegbewegingen van en naar Nederlandse luchthavens meegenomen, tot een hoogte van 3000 voet (914 meter).[14] De stikstofdepositie die vanaf hogere luchtlagen op de bodem terechtkomt heeft het karakter van een globale achtergronddepositie, die voor het gehele grondgebied van Nederland vrijwel gelijk is.[15] Deze depositie is niet alleen afkomstig van in Nederland opstijgende en landende vliegtuigen, maar van vele internationale vluchten. Worden hogere vliegbewegingen meegenomen dan stijgt de bijdrage van de luchtvaart tot ca. 0.7-1,1%.[16] In hetzelfde jaar stootte het verkeer 48 miljoen kg uit, de industrie 17 miljoen kg en de luchtvaart 1,2 miljoen kg (voor zover er in Nederland gestart wordt en onder 3000 voet wordt gevlogen boven Nederland).[17]

Bronreductie[bewerken | brontekst bewerken]

Gerekend tot 2017 is sinds 1991 de stikstofuitstoot in Nederland meer dan gehalveerd, met de sterkste reductie zichtbaar in de landbouwsector.[18] Er zijn echter grote regionale verschillen en voor de meeste ecosystemen is de neerslag van stikstof in 2017 veel hoger dan de kritische niveaus voor een goede natuurkwaliteit.[19] Deze daling van de stikstofuitstoot is bereikt door de invoering van katalysatoren voor auto's, maatregelen in de industrie, en door in de landbouw de gier uit stallen ter bemesting in de bodem te injecteren in plaats van uit te rijden. Bij varkensboerderijen werden luchtwassers geïnstalleerd om de ammoniak weg te filteren. Ook werd er minder kunstmest gebruikt.[8] Door de afschaffing van het melkquotum in 2014 steeg de ammoniakuitstoot echter weer, doordat er meer koeien werden gehouden. Ook de maximumsnelheid op Nederlandse rijkswegen, die in stappen sinds 2012 op verschillende wegvakken verhoogd werd tot 130 km/h, had een toename van de stikstofuitstoot tot gevolg, alsmede het in gebruik nemen van biomassacentrales.[20] Ook nam de NOx-productie toe doordat verbrandingsmotoren efficiënter worden door een hogere compressieverhouding. Hierdoor stijgt echter de temperatuur, waardoor er meer stikstof en zuurstof wordt omgezet in NOx.[21] Al met al is er sinds 2010 geen sprake meer van een afname.

Nederland ten opzichte van rest Europa[bewerken | brontekst bewerken]

Europe - Global Fertilizer and Manure, Version 1 Nitrogen Fertilizer Application (6073472083).jpg
Kaart uit 2011 van het gebruik van stikstof onder de vorm van kunstmest
Europe Global Fertilizer and Manure, Version 1 Nitrogen in Manure Production (6172666199).jpg
Kaart uit 2011 van de productie van stikstof onder de vorm van dierlijke mest
Geschat stikstofoverschot (het verschil tussen anorganische en organische bemesting, atmosferische depositie, fixatie en opname door gewassen) in Europa (2005).

In oktober 2019 maakte TNO bekend dat Nederland binnen Europa verreweg de grootste hoeveelheid stikstof per hectare produceert.[22] Op de tweede plaats staat België, op de derde Duitsland. Nederland exporteert bovendien vier keer meer stikstof naar de buurlanden, vergeleken met wat er uit het buitenland binnenkomt. 61 procent van de geproduceerde stikstof is afkomstig van de landbouw, waarbij de intensieve veehouderij een van de belangrijkste bronnen is.[22]

Verschillende Europese landen hanteren andere normen voor wanneer een stikstofvergunning nodig is. In Duitsland is een stikstofvergunning bijvoorbeeld pas nodig als door een nieuwe activiteit meer dan 7 mol stikstof (=98 g) per hectare per jaar neerslaat in een natuurgebied, in vergelijking met 0,05 mol in Nederland. De reden hiervoor is dat Duitsland grotere natuurgebieden heeft, met minder stikstof-producerende activiteiten daaromheen.[23]

Rekenmodellen en metingen[bewerken | brontekst bewerken]

Om de stikstofuitstoot te bepalen wordt gebruikgemaakt van rekenmodellen die door het RIVM worden gecombineerd met de resultaten van stikstofmetingen in Nederland.[24]

De concentratie ammoniak in de lucht wordt in 2022 maandelijks op 283 meetpunten in meer dan 80 natuurgebieden gemeten door het RIVM.[25] Op tientallen andere locaties wordt de concentratie stikstofoxiden in de lucht bepaald met metingen.[26]

Om de uitstoot en de depositie van reactieve stikstofverbindingen te kunnen bepalen wordt er gebruikgemaakt van rekenmodellen. Bij de berekeningen worden ammoniak en NOx omgerekend naar stikstof. Daarvoor wordt de hoeveelheid NH3 vermenigvuldigd met 14/17 en NO2 met 14/46.

Voor de bepaling van de stikstofuitstoot werd oorspronkelijk gebruikgemaakt van het rekenmodel AERIUS. Na de wijziging van de Wet natuurbescherming op 31 augustus 2019 werd het rekenmodel AERIUS door de overheid niet langer verplicht voorgeschreven. Later dat jaar[(sinds) wanneer?] volgde een bestuurlijke afspraak om AERIUS opnieuw voor te schrijven, omdat het het best beschikbare model zou zijn.[27] Naast AERIUS gebruikt het RIVM ook het Operationele Prioritaire Stoffen model en het Europees referentiemodel EMEP MSC-W.[28] Met AERIUS (versie 2019) kan de stikstofuitstoot en de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden worden berekend.[29]

Effecten van stikstofverbindingen[bewerken | brontekst bewerken]

Stikstofverbindingen zijn belangrijk voor de groei van vele planten. Ze worden normaal gesproken op natuurlijke wijze door middel van bodembacteriën, onder andere de stikstofwortelknolletjes, in de wortels van elzen en van vlinderbloemigen gemaakt. Daarnaast ontstaan ook stikstofverbindingen (NOx) door de hoge temperatuur bij bliksemontladingen.

Bij een stikstofgebrek groeien veel soorten planten minder goed en krijgen ze vaak gele bladeren. Kunstmest bevat dan ook stikstofverbindingen op basis van nitraat of ammoniak zoals NH4NO3 (ammoniumnitraat), NH4H2PO4 (ammoniumdiwaterstoffosfaat) of (NH4)2HPO4 (ammoniumwaterstoffosfaat).

NO2 in de atmosfeer boven Nederland en het Roergebied, 7 november 2017

Wanneer kunstmest excessief wordt ingezet, raken de bodem en het grondwater verrijkt met stikstof, waardoor planten die het goed doen op een voedselarme bodem het afleggen tegen planten die het goed doen op een voedselrijke bodem, zoals brandnetels, grassen en braamstruiken.[30] Dit leidt vervolgens tot aantasting van de biodiversiteit.[31]

In waterlichamen veroorzaakt een teveel aan stikstof overmatige algenbloei, wat kan leiden tot een gebrek aan zuurstof in het water. Dit proces wordt eutrofiëring genoemd.

Effecten op natuurgebieden[bewerken | brontekst bewerken]

In sommige natuurgebieden is de bodem zeer arm aan stikstofverbindingen.[8] In deze gebieden, zoals heidevelden en duinen, groeien plantensoorten en -gemeenschappen die specifiek aan die lage stikstofconcentraties zijn aangepast. Als het stikstofgehalte in de bodem stijgt, verdringen de snel groeiende planten de langzaam groeiende planten. Diersoorten die van de langzaam groeiende planten leven, zoals bepaalde insecten of rupsen, nemen daardoor in aantal af. Dit kan weer gevolgen hebben voor de vogels en andere insecteneters. Te grote uitstoot van stikstof heeft dus negatieve gevolgen voor de biodiversiteit.

Hoewel er natuurgebieden op rijke grond bestaan (zoals Amelisweerd en de Oostvaardersplassen), liggen de meeste grotere natuurgebieden in Nederland op arme grond en zijn daarmee heel gevoelig voor stikstofverbindingen. Natuurgebieden met bos of heide op stikstofarme zandgronden zijn gevoeliger dan moerassen en graslanden op klei- en veengronden.[32] Varkenshouderijen hebben hierdoor extra impact als ze in de omgeving van natuurgebieden met arme grond liggen. Dit geldt bijvoorbeeld voor een gebied als de Grote Peel, waar niet alleen een grote achtergronddepositie van stikstofverbindingen optreedt, maar waar ook veel grootschalige varkenshouderijen in de directe omgeving liggen.[33] De stikstof die deze bedrijven uitstoten komt meteen terecht in zeer gevoelige gebieden.

Verzuring van de bodem[bewerken | brontekst bewerken]

Wanneer stikstofoxiden of ammoniak in de bodem terechtkomen, treedt bodemverzuring op. De stikstofoxiden verbinden zich met water zodat salpeterzuur (HNO3) ontstaat. Ammoniak, via ammonium, wordt in de bodem door micro-organismen ook omgezet in salpeterzuur (HNO3). Een van de gevolgen van dit zuur is dat het aanwezige calcium (Ca), kalium (K) en magnesium (Mg) oplost en uitspoelt. Dit kalkgebrek heeft weer verdere gevolgen, zoals bijvoorbeeld: eiken sterven af, eierschalen van koolmezen zijn te dun en mezenjongen breken hun pootjes al in het nest. Ook wordt door het zuur de pH lager, met allerlei gevolgen voor het ecosysteem. Ook kan het grondwater op den duur vervuild raken.

Normering[bewerken | brontekst bewerken]

In 1991 verscheen de Europese Nitraatrichtlijn. In 2001 werden in de Europese Unie nationale emissieplafonds ingesteld. Beide maatregelen waren bedoeld om de stikstofproblematiek aan te pakken. Volgens Europese normen mag er gemiddeld over een jaar niet meer dan 40 µg/m3 NO2 in de buitenlucht aanwezig zijn, met het oog op de gezondheid van mensen.

Er gelden op grond van de Nitraatrichtlijn maximale waarden voor de bemesting van landbouwgrond. In 2019 bedroeg het maximum 170 kg stikstof per hectare.[34] Op dat maximum zijn diverse uitzonderingen gemaakt, waarvan de agrariër na aanvraag gebruik mag maken:

  • Stikstofdifferentiatie: Voor de teelt van bepaalde gewassen op kleigrond, zoals suikerbieten en fritesaardappelen mag tot 30 kg per hectare extra gebruikt worden.[35]
  • Equivalente maatregelen: Voor de teelt van gewassen op zandgrond of löss zoals suikerbieten, mais en sla bij hoge opbrengst tot maximaal 45 kg per hectare extra.[36][37]
  • Stikstofherstelbemesting: Na hevige regenval mag 25% extra stikstof gebruikt in de vorm van kunstmest.[38]
  • Derogatie: In 2018 en 2019 kon onder voorwaarden 230 of 250 kg stikstof gebruikt worden op landbouwgrond.[39] Deze derogatie gold alleen voor Nederland en is toegezegd door de Europese Commissie. Dit is tijdelijk en werd mogelijk niet verlengd na 2019 als Nederland zich niet aan de afspraak hield om de stikstofuitstoot te verminderen.[40]

In natuurgebieden moet de stikstofdepositie teruggebracht worden naar de zogenoemde kritische depositiewaarde (KDW). Deze KDW varieert per type natuur. De gemiddelde stikstofdepositie per hectare per jaar bedraagt in Nederland ca. 1500 mol N per ha per jaar, hetgeen overeenkomt met circa 21 kg N per hectare per jaar.[6] De KDW's bedragen 5–25 kg N/ha.jr. De laagste waarden, 5–10 kg N/ha jr., gelden voor vennen en duingebieden.[6][15]

Door het RIVM is rond 2019 berekend dat in 118 van de 161 Nederlandse Natura 2000-gebieden de KDW wordt overschreden.[7] Deze natuurgebieden liggen verspreid over heel Nederland.[7]

Ontstaan van de stikstofcrisis[bewerken | brontekst bewerken]

Voorgeschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

De achtergrond van de stikstofcrisis is enerzijds de toenemende stikstofbelasting van het milieu door toename van verkeer en intensivering van de landbouw en anderzijds het onvermogen van de Nederlandse overheid om passende maatregelen te nemen om deze belasting terug te dringen. Naar schatting zijn er in de nabijheid van de kwetsbaarste Natura 2000-gebieden rond de 4.000 melkveehouders (van in totaal bijna 17.000) die direct invloed hebben door hun stikstofuitstoot.[40]

Een onderdeel van de problemen is het mestoverschot, waar ambtenaren van het toenmalige ministerie van Landbouw vanaf 1965 al voor waarschuwden, vanwege de schaalvergroting in de landbouw.[41] Onder druk van de landbouwsector worden maatregelen die de Nederlandse kabinetten willen treffen telkenmale verzwakt. Deels wordt dit veroorzaakt doordat de vergunningen voor uitbreidingen van veehouderijen worden verleend door de gemeenten, waar de lokale wethouders van landbouw positief staan tegenover de plannen van de boeren, vaak ook degenen die op hun partij stemmen. Daarnaast komt de verwerking van mest niet goed van de grond, omdat illegaal dumpen van mest veel goedkoper is. Mestverwerking wordt al tientallen jaren als panacee voor het mestoverschot aangeprezen, maar komt in de praktijk niet van de grond.[41] Er is meerdere keren geconstateerd dat er op grote schaal sprake is van fraude, waarbij boeren, mestvervoerders, en bureaus die de mestboekhouding voor boeren uitvoeren, sjoemelen met de administratie.[42][43]

Vanaf de jaren ’90 daalde de totale emissie en depositie van stikstofverbindingen, maar de daling vlakte vervolgens af.[7] In 2004 rapporteerde het RIVM dat voor een duurzame instandhouding van gevoelige ecosystemen verdergaande emissiereducties noodzakelijk waren dan hetgeen op dat moment al bereikt waren.[44]

Pas toen milieugroepen juridische procedures aanspanden om de overheid te dwingen zich aan het door haarzelf geformuleerde beleid te houden, ontstond wat bekend is geworden als de stikstofcrisis. Een van de groepen die dergelijke procedures aanspande, was de Werkgroep Behoud de Peel. Deze groep voerde sinds 1981 duizenden juridische procedures om extra neerslag van ammoniak te voorkomen in de Peel, een historisch hoogveengebied waarvan vanaf het eind van de twintigste eeuw alleen De Groote Peel overbleef dat vervolgens een nationaal park is geworden. Ze wonnen vele rechtszaken. Dit leidde echter slechts kort tot publiciteit voor de stikstofproblematiek.[45][46] Andere milieugroepen spanden ook processen aan tegen milieuvergunningen. De procedures werden vaak gewonnen door de milieuorganisaties, omdat de milieunormen werden overschreden. De vigerende wetgeving op grond van de Habitatrichtlijn, met name artikel 6, verplicht tot het treffen van maatregelen om de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden te behouden en te herstellen of om achteruitgang daarvan te voorkomen. Ook vereist dat artikel dat voor elk plan of project met significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied een passende beoordeling gemaakt moet worden.[47]

Programma Aanpak Stikstof[bewerken | brontekst bewerken]

De Nederlandse overheid ontwierp als oplossing voor het verliezen van de diverse procedures het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De start van het PAS was een amendement uit 2009 op de Crisis- en Herstelwet, op initiatief van de toenmalige Tweede Kamerleden Diederik Samsom en Ger Koopmans, onder andere op basis van een advies van een Kamercommissie onder leiding van Servaes Huys.[48] Het PAS trad na een lange voorbereidingstijd op 1 juli 2015 in werking,[49] hoewel er in de Tweede Kamer, onder anderen door SGP-Kamerlid Elbert Dijkgraaf[50] al gewezen werd op juridische zwakheden en hoewel ook de Afdeling Advisering van de Raad van State op zwakheden wees.[51] Alleen GroenLinks en de Partij voor de Dieren stemden tegen het PAS in de Tweede Kamer.[50] In de Eerste Kamer stemden GroenLinks, SP, 50PLUS, de PvdD en de OSF tegen.

De PAS-wetgeving was gericht op de omgeving van de Natura 2000-gebieden. 118[52] van deze ruim 160 gebieden waren aangemerkt als "stikstofgevoelig”.[11] Daaronder bevonden zich onder andere heidegebieden. Als in de buurt van de Natura 2000-gebieden nieuwe economische activiteiten werden gepland, mocht dat op grond van de eerder geldende wetgeving alleen als de extra stikstofuitstoot zou worden gecompenseerd.[8] Het PAS bevatte "grenswaarden" waaronder geen vergunning nodig was. Ook bevatte het PAS een "depositieruimte", ruimte voor nieuwe ontwikkelingen die mogelijk werden omdat het PAS verbetermaatregelen bevatte. Door deze op papier beschreven verbetermaatregelen kwam deze ruimte vrij om nieuwe plannen te ontwikkelen.[53]

Via het PAS was dus − tijdelijk − extra vervuiling toegestaan, omdat Nederland later maatregelen zou treffen om de vervuiling tegen te gaan. Het PAS maakte daarmee een vrijstelling mogelijk van de vergunningplicht,[54] waardoor allerlei projecten zonder uitgebreid natuuronderzoek en motivatie mogelijk werden. De milieuorganisaties stonden daar machteloos tegenover.

Stikstofrechtszaak[bewerken | brontekst bewerken]

Wim van Opbergen, voorman van Werkgroep Behoud de Peel,[45] besloot samen met Johan Vollenbroek van Mobilisation for the Environment en Vereniging Leefmilieu een proces tegen het PAS zelf te starten,[55] met diverse rechtszittingen tot gevolg. In 2019 liepen er 450 rechtszaken.[55] De Raad van State wist in eerste instantie niet hoe met de regelgeving uit het PAS om te gaan en vroeg advies aan het Europese Hof van Justitie. Dat oordeelde in november 2018 dat het PAS als systeem wel mogelijk is, maar dat de vermindering van de stikstofneerslag op natuurgebieden en het bijbehorend natuurherstel wel goed gewaarborgd dienden te zijn.[48]

Bij een volgende rechtszaak oordeelde de Raad van State dat deze waarborg niet aanwezig was. Een half jaar later gaf de Raad van State bij een andere uitspraak de milieuorganisaties gelijk. Het uitgangspunt van de uitspraken was dat het PAS niet de basis kon zijn voor het verlenen van toestemming aan activiteiten die extra neerslag van stikstof veroorzaken. Daarmee was het vooruitlopen op een vermindering van de stikstofneerslag in de toekomst op grond van het PAS niet toegestaan.[56] De Europese wetgeving op dit gebied eiste dat er vooraf zekerheid bestaat dat de geplande maatregelen gunstige effecten hebben. Dit ging ook gelden voor beweiden en bemesten, dit moest voortaan als onderdeel van de vergunningsaanvraag voor uitbreiding van een veehouderij meegenomen worden.[54]

Gevolgen Raad van State uitspraak over PAS[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens minister Carola Schouten van Landbouw noopte de uitspraak van de Raad van State "tot een fundamentele herbezinning op hoe we met de schaarse stikstofruimte in ons land om willen gaan, hoe we de bestaande stikstofdepositie effectief kunnen terugdringen en hoe we in dit verband natuur wegen ten opzichte van andere maatschappelijke en economische functies".[54]

De problemen met toepassing van het PAS bij vergunningverlening leidde ertoe dat 18.000 projecten geen doorgang meer konden vinden, en dat er per project gekeken diende te worden hoe de uitstoot van stikstofverbindingen verminderd kon worden.[46] Al deze projecten hadden een foutief verleende vergunning. Reeds eerder verleende vergunningen die op grond van de doorlopen procedures onherroepelijk waren geworden, bleven bestaan.[56]

De voorzitter van MKB-Nederland, Jacco Vonhof, vreesde dat Nederland door de stikstofproblematiek zou afstevenen op een nationale economische crisis.[57] Een gemeente zoals Woensdrecht verwacht door de crisis tot 2 miljoen euro aan grondverkoop mis te gaan lopen.[58]

Terugblik op het overheidsbeleid[bewerken | brontekst bewerken]

In het advies van juni 2020 blikte het adviescollege onder leiding van Johan Remkes terug op het beleid. Er werden vier kernelementen benoemd die een oplossing voor de stikstofproblematiek hadden belemmerd:[7]

  1. Geen echte keuzes voor de lange termijn
  2. Geen integrale benadering van stikstofproblematiek
  3. Gebruik van complexe systematiek in de vorm van het PAS
  4. Onvoldoende borging van het natuurbelang

Gevolgen van de crisis[bewerken | brontekst bewerken]

Stillegging bouwprojecten en banenverlies[bewerken | brontekst bewerken]

Op het moment van de uitspraken van de Raad van State over het PAS waren er nog circa 180 zaken bij de Afdeling Bestuursrechtspraak in behandeling, voor het grootste deel over veehouderijen, maar ook zaken met bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen, woningbouwplannen of nieuwe wegen.[56] In totaal zouden 18.000 projecten niet door kunnen gaan, waarvan 127 projecten van de Rijksoverheid.[59] Er zouden 40% minder woningen kunnen worden gebouwd dan de geplande 75.000 woningen per jaar.[60] Door de crisis zouden mogelijk 27.000 banen komen te vervallen: bij bouwbedrijven, ingenieursbureaus, onderaannemers en binnenvaartschippers en wegtransportbedrijven die bouwmaterialen aanleveren.[61] De crisis is verergerd door het toepassen van strikte normen voor PFAS, met als gevolg dat grond met een hogere concentratie van 0,1 microgram per kilo droge grond niet meer mag worden verplaatst en/of afgegraven. Bouwprojecten werden hierdoor stilgelegd of konden niet starten.

Betrokken projecten[bewerken | brontekst bewerken]

Projecten die door de crisis niet door konden gaan, varieerden van de uitbreiding van Lelystad Airport tot de aanleg van voetbalvelden in Bergen en het ophogen van de dijken bij Marken. De vraag was of de Grand Prix van Zandvoort door kon gaan. Ook Schiphol heeft geen natuurvergunning, hetgeen mogelijk tot vermindering van het aantal vluchten moet leiden. De geplande energiecentrales op basis van biomassa zullen ook stikstofoxiden produceren en zullen heroverwogen worden.[62] De verbranding van biomassa stond al ter discussie om klimaatredenen.[63]

Hieronder een aantal voorbeelden van projecten die geen doorgang konden vinden of werden uitgesteld door de stikstofcrisis:

Project Traject of locatie Opmerking
A2 Amsterdam - Utrecht Snelheidsverhoging langs een deel van de A2 tussen Amsterdam en Utrecht, 's avonds en 's nachts.[10]
A1 Barneveld en Beekbergen Op vier gedeeltes van snelwegen op de Veluwe, van in totaal bijna 100 km, mag niet langer 130 km/h worden gereden. Een eerdere verhoging van 120 naar 130 moest worden teruggedraaid.[10] Het ging daarbij om delen van de A1, A28 en A50 die samen een driehoek vormen.[64]
A28 Strand Nulde en Strand Horst
A28 Strand Horst en Hattemerbroek
A50 Beekbergen en Epe
A27 / A12 Aanpassing Ring Utrecht[65]
Strandgebonden recreatieve voorzieningen Voor de kustzone van Petten Uitspraak Raad van State, 11 september 2019.[66]
Bestemmingsplan "Future Center Wageningen" Stadion Wageningse Berg Wageningen Uitspraak Raad van State, 14 augustus 2019.[67]
Zes vergunningen voor verschillende agrarische bedrijven Provincie Noord-Brabant Principe uitspraak Raad van State, 29 mei 2019 op basis van de uitspraak van het Europese Hof.[47] Het betreft pluimveebedrijven, melkveehouderijen en varkenshouderijen in Someren en een melkvee- en varkenshouderij in Deurne.
Afsluitdijk Versterking van de Afsluitdijk.[59]
ERTMS Nederlands spoorwegnet Invoering van het nieuwe beveiligingssysteem voor de spoorwegen.[59]
Binnensportcomplex Zaltbommel Belasting voor natuurgebied de Hurnse Kil.[68]
IJmuiden Ver

Hollandse Kust

Noordzee Geplande windmolenparken.[59]

Verergering woningtekort en stijging huizenprijzen[bewerken | brontekst bewerken]

Zie ook Woningnood in Nederland § 21e eeuw voor meer informatie.

Reeds voor de stikstofcrisis ontstond was er al sprake van een woningtekort in Nederland. Tegen februari 2020 waren er 315.000 woningen te weinig en dat aantal nam door de stikstofcrisis nog verder toe, wat leidde tot stijgende huizenprijzen (economen van de Rabobank voorspelden een stijging van 5,5% in 2020 en 2,5% in 2021), zodat een gemiddeld koophuis eind 2021 25.000 euro duurder zou zijn dan in 2019.[69] Uit een rapport van juli 2021 bleek de prijs van een gemiddeld koophuis in 2020 zelfs te zijn opgelopen tot 7,8%, enerzijds door de stiktstofcrisis, anderzijds door de coronacrisis, maar tegen de verwachtingen van experts in bleek ook het woningtekort eind 2020 teruggebracht te zijn tot 279.000 woningen door het bouwen van 70.000 nieuwe huizen en het ombouwen van andere gebouwen (zoals voormalige winkelpanden) tot woningen.[70]

Protesten tegen de maatregelen[bewerken | brontekst bewerken]

Diverse organisaties protesteerden tegen de Rijksoverheid, omdat zij de aanpak van de stikstofcrisis onvoldoende of onwenselijk vonden, met het oog op hun bedrijfsvoering.

Boerenprotesten[bewerken | brontekst bewerken]

Tractor met spandoek
Zie Boerenprotesten tegen stikstofbeleid voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In oktober 2019 demonstreerden Nederlandse boeren onder andere tegen de voorgenomen plannen om de stikstofuitstoot binnen de landbouwsector te verminderen door onder meer de halvering van de veestapel. De protesten begonnen op 1 oktober op het Malieveld in Den Haag en veroorzaakten veel verkeersoverlast.[71] Onder druk van lokale demonstraties bij provinciehuizen trokken de provincies Friesland, Drenthe, Overijssel en Gelderland de nieuwe stikstofregels twee weken later weer in.[72] Ondanks heftige protesten lieten de provincies Groningen en Noord-Brabant de regels in stand.

In de jaren daarna volgden nog geregeld protesten door boeren in heel Nederland. in juni 2022 blokkeerden demonstrerende boeren met hun tractoren verschillende snelwegen, na het bekendworden van de nieuwe stikstofdoelstellingen per regio.[73]

Volgens VVD-senator en hoogleraar Global and Local Governance Caspar van den Berg zijn de stikstofcrisis en veestapelreductie niet de enige aanleiding voor de boerenprotesten. In een interview met NRC benoemde hij een "politieke culturele scheidslijn" tussen het "economische en politieke hart" enerzijds en de landelijke gebieden anderzijds. De welvaartskloof tussen deze gebieden loopt op. 94% van de voorkeuren van voornamelijk in de stedelijke gebieden woonachtige hoogopgeleiden vindt weerslag in overheidsbeleid, bij voornamelijk in de landelijke gebieden woonachtige lageropgeleiden is dat 54%. Journalist Floor Milikowski merkte op dat de voorzieningen in de landelijke gebieden teruglopen.[74]

Bouwprotest[bewerken | brontekst bewerken]

Op 30 oktober 2019 hielden Nederlandse bouw- en infraondernemers, baggeraars en hoveniers een protestactie. De bouw vroeg hiermee aandacht voor hun problemen omtrent de stikstofcrisis en het daaropvolgende beleid, en de aangescherpte PFAS-norm. De protestactie werd georganiseerd door Grond in Verzet.[75]

Oplossingen[bewerken | brontekst bewerken]

Juridische oplossingen[bewerken | brontekst bewerken]

ADC-toets[bewerken | brontekst bewerken]

De juridische oorzaak van de stikstofcrisis is de habitattoets. Deze juridische toets beschermt Europese natuurwaarden, de ecologische instandhoudingsdoelstellingen, van Natura 2000-gebieden.[76] Een oplossing voor het juridische aspect van de stikstofcrisis is het uitvoeren van een zogeheten ADC-toets als laatste stap van de habitattoets. Projecten die een groot maatschappelijk belang hebben kunnen doorgaan als die toets positief uitvalt.[77] ADC is een afkorting van Alternatieven, Dwingende redenen van groot openbaar belang en Compensatie. Uit deze toets volgt dat een vergunning alleen verleend kan worden als het project aan deze drie voorwaarden voldoet:[78]

  1. Er zijn geen alternatieven voor het project.
  2. Er is een dwingende reden van openbaar belang.
  3. Er worden voldoende compenserende maatregelen getroffen.

In de internationale rechtsliteratuur werd er inmiddels al op gewezen dat de Natura 2000-habitattoets het koppelen van andere doelen dan natuurdoelen (bijvoorbeeld klimaatdoelen) en een integrale benadering met behulp van ecosysteemdiensten niet goed mogelijk maakte.[79]

Salderen[bewerken | brontekst bewerken]

In oktober 2019 overlegde de coalitie over een oplossing in de vorm van "intern en externe saldering". Tijdens de bouw van woningen zou tijdelijk meer stikstofverbindingen kunnen worden uitgestoten als dat gecompenseerd kon worden.[80] Intern salderen is mogelijk in een situatie waarbij het project zelf niet leidt tot een toename van stikstofdepositie ten opzichte van een eerdere toestemming. Bij extern salderen wordt een bestaande toestemming voor stikstofemissie op een andere locatie dan het project gedeeltelijk of geheel ingetrokken voor het aangevraagde project.[27] Daarbij wordt gedacht aan het verminderen van de stikstofuitstoot van nabijgelegen veeteeltbedrijven. Niet gebruikte ruimte in de vergunning voor de veehouder zou daarmee gaan vervallen.[81] De provincie Utrecht besloot daarbij om bij extern salderen de onbenutte ruimte uit de vergunningen te halen en tevens de stikstofvergunning met een extra percentage af te romen ter hoogte van 30%. Daarmee wilde de provincie een daling van de uitstoot bewerkstelligen.[27] De provincies zijn over het algemeen de verlener van de vergunningen en hebben deze mogelijkheid vastgelegd in hun beleidsregels.

Oplossing in vermindering emissie[bewerken | brontekst bewerken]

Minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) stelde in juli 2019 na de uitspraak van de Raad van State het adviescollege Stikstofproblematiek in, onder voorzitterschap van Johan Remkes om een oplossing te vinden.[82] Op 25 september 2019 presenteerde het college een eerste advies, met als titel Niet alles kan. De belangrijkste onderdelen van het eerste advies waren:[11]

  • het opkopen van veebedrijven die veel ammoniak uitstoten in de omgeving van kwetsbare natuur;
  • het verlagen van de maximumsnelheid eveneens in de omgeving van natuurgebieden;
  • het herstellen van bestaande schade aan kwetsbare natuurgebieden moet worden versneld;
  • op langere termijn moeten ook het openbaar vervoer, vrachtvervoer, luchtvaart en scheepvaart hun uitstoot beperken.

Volgens Remkes was de aanpak op grond van het PAS „in strijd met de wet” en waren noodmaatregelen nodig. Bovendien constateerde hij dat in Nederland „niet alles kan”. In oktober 2019 gaf de coalitie aan dat het uitkopen van veebedrijven op basis van vrijwilligheid zou moeten gebeuren.[80] Op grond van dit advies werd de maximumsnelheid op de snelwegen rond de Veluwe in 2019 verlaagd van 130 km/h naar 120 km/h.[83]

Luchtvaart[bewerken | brontekst bewerken]

Het tweede advies zou moeten gaan over een structurele aanpak van de stikstofproblematiek. Vooruitlopend op het eindadvies bracht het adviescollege op 15 januari 2020 vervroegd advies uit over de luchtvaartsector.[15] De reden hiervan was dat in de publieke opinie sterk uiteenlopende beelden bestaan over de bijdrage van de luchtvaartsector aan de stikstofproblematiek. Hoewel de luchtvaart veel CO2 produceerde, evenals veel geluidhinder en veel fijnstof, was de bijdrage van de luchtvaart aan de stikstofdepositie gering. Voor het Natura2000-gebied Naardermeer, dat in de directe omgeving van Schiphol ligt, werd ingeschat dat de stikstofdepositie in het jaar 2018 in totaal 1555 mol N/ha/jaar was. 5,4 mol daarvan (0,35%) was afkomstig van Schiphol en vluchten tot 3000 voet. De kritische depositiewaarde voor het Naardermeer bedraagt 714 mol N/ha/jaar.

Hoewel de absolute emissie van stikstof door de luchtvaart gering was ten opzichte van die van andere bronnen, groeide de stikstofemissie door de luchtvaart, omdat het aantal vliegbewegingen groeit. Hierdoor was het relatieve aandeel van de luchtvaartsector sinds 1990 verviervoudigd.[14] Bij veel andere sectoren was de emissie sinds 1990 juist gedaald.

In dat tweede advies stelde Johan Remkes dat de luchtvaartsector de uitstoot van stikstof moet beperken om verder te kunnen groeien.[14] Als mogelijkheden noemt het rapport onder andere elektrisch taxiën, de vloot vernieuwen met efficiëntere en lichtere vliegtuigen, het uitvoeren van glijvluchten en het weren van vervuilende vliegtuigen.[84] De militaire luchtvaart was in het advies niet meegenomen.[15]

Oplossing in minder natuurgebieden[bewerken | brontekst bewerken]

Volgens Rudy Rabbinge, die lid was van de commissie van Remkes, zou er ook gekeken moeten worden of er niet minder natuurgebieden kunnen zijn. Volgens hem was een aantal van de stikstofgevoelige natuurgebieden erg klein.[85] Het kabinet en minister Carola Schouten zagen eerder geen optie in het verminderen van Natura 2000-gebieden. Later wilde het kabinet toch nadenken over deze ‘juridisch ongelooflijk ingewikkeld[e]’ optie.[86] Oud-Landbouwminister Cees Veerman stelde dat de landbouw behoefte had aan een andere versie van het Deltaplan. Hij stelde dat als Nederland een leidend agrarisch land wil blijven, er gedacht zou kunnen worden aan herverkavelen: concentratie van productiegerichte landbouw in bepaalde regio's, terwijl in andere regio's de nadruk bijvoorbeeld op meer landschap of natuur zou kunnen liggen.[87]

Noodmaatregelen van het Nederlandse kabinet[bewerken | brontekst bewerken]

Op 12 november 2019 maakte premier Rutte de volgende noodmaatregelen bekend die het kabinet zou nemen om in elk geval de stilstand van de bouwsector bij de bouw van woningen en bij infrastructuurprojecten op te heffen:[88][89][90]

  • Verlaging van de maximumsnelheid op rijkswegen tot 100 kilometer per uur overdag, van 6:00 tot 19:00. 's Avonds en 's nachts blijven de reguliere snelheden gehandhaafd.
  • Een noodwet voor grote projecten op het gebied van kustbescherming, water- en wegenveiligheid, waarbij tegelijkertijd maatregelen worden genomen die de natuur verbeteren. Daarvoor wordt een bedrag van 250 miljoen euro gereserveerd.
  • Aanpassing van het veevoer, zodat er minder ammoniak vrijkomt uit urine en mest. Een van de oplossingen is vermindering van de hoeveelheid proteïne in het voer.
  • Sanering van de varkenshouderij, door het aantrekkelijk te maken voor boeren om te stoppen met hun bedrijf. Daarvoor was eerder al 180 miljoen euro[91] uitgetrokken vanwege de Urgenda-uitspraak over het klimaat.
  • Onderzoek naar de mogelijkheid om van een aantal Natura 2000-gebieden de beschermde status te ontnemen, dan wel minder beschermde dier- en plantensoorten in een gebied aan te wijzen. Hierover gaat het kabinet in gesprek met de Europese Commissie.

Uit berekeningen van het RIVM bleek dat deze maatregelen op korte termijn zouden leiden tot een daling van de stikstofdepositie.[92] De bovenstaande maatregelen werden op het moment van publicatie nog onvoldoende geacht, het voornemen was om in december 2019 meer maatregelen aan te kondigen.[89] Het uitgangspunt bij deze en volgende maatregelen was dat 30% van de verminderde stikstofneerslag ten goede komt aan de natuur, 70 procent aan nieuwe ontwikkelingen.[90]

Maatregelen van het kabinet in juni 2020[bewerken | brontekst bewerken]

Op 24 april 2020, midden in de coronacrisis, maakte minister Schouten van Landbouw het plan bekend voor definitieve maatregelen.[93] Het Nederlands kabinet stelde 5 miljard euro beschikbaar voor de maatregelen. 300 miljoen euro per jaar zou worden besteed aan natuurherstel en -versterking, 200 miljoen per jaar aan bronmaatregelen om de uitstoot van bedrijven te verminderen. Daarmee zou bereikt worden dat de stikstofneerslag in 2030 in de helft van de Natura 2000-gebieden onder de kritische waarde zou komen te liggen. Deze maatregelen zouden ruimte bieden voor bouw van woningen en aanleg van wegen.

Volgens het adviescollege Stikstofproblematiek schoot deze aanpak tekort.[94] De ambitie was volgens het college te laag, omdat de uitstoot verminderd wordt met 26%, terwijl dat 50% zou moeten zijn. Ook vond het college dat de voorgestelde aanpak overeenkomsten vertoonde met het PAS, het oudere systeem dat vernietigd was. De landbouw moest om de reductie te bereiken inkrimpen, waarbij de vrijwillige uitkoop van veehouderijen, zoals voorgesteld door minister Schouten, onvoldoende zou zijn. In detail adviseerde het college het volgende:

  • Voor de landbouw worden de volgende acties aanbevolen:
    • Er moet een mineralenbalans ingevoerd worden, Afrekenbare StoffenBalans, teneinde de inputs en outputs in balans te brengen voor zoveel mogelijk stoffen, dus niet alleen voor stikstof
    • Het mestbeleid moet worden gemoderniseerd en verankerd in nieuwe mestwetgeving
    • Maatwerk in ruimtelijke inrichting[bron?]
    • In- en uitplaatsing van boerenbedrijven rond natuurgebieden
    • Een goed monitoringssysteem
  • Voor het wegvervoer zijn geen generieke aanvullende maatregelen nodig, omdat al een emissiereductie van 52% wordt gerealiseerd, op basis van o.a. Europese wetgeving voor de voertuigen zelf en omdat de snelheid op snelwegen in Nederland al is verlaagd tot 100 km/h.
  • Voor de binnenvaart katalysatoren invoeren als retrofit.
  • Maatregelen voor de zeevaart zijn nodig gezien het relatief grote belang in de sector verkeer. Omdat de internationale regelgeving via de International Maritime Organization leidend is, kan dit niet vanuit Nederland. Nederland moet in de internationale gremia pleiten voor een stikstofaanpak.
  • De industrie moet de NOx-emissies tot 2030 aanvullend aan het bestaand beleid reduceren. Een invulling per deelsector moet nog gemaakt worden.
  • Stimulerende maatregelen[bron?] voor biomassa-installaties moeten worden gestopt, met name voor de kleinere installaties.
  • Voor de bouwsector moet juridisch vastgelegd worden dat de emissies van bouwprojecten in (maximaal) 10 jaar tijd worden teruggebracht met 80%. Bij aanbesteding van projecten moet een zo laag mogelijke emissie een doorslaggevende rol gaan spelen.

De stikstofwet werd, vormgegeven als wijziging van de Wet natuurbescherming en van de Omgevingswet op 17 december 2020 aangenomen door de Tweede Kamer en op 9 maart 2021 door de Eerste Kamer.[95] De wet had als doel dat de stikstofuitstoot en -neerslag in 2030 zo laag zijn dat dan de helft van de Natura 2000-natuurgebieden onder de kritische depositiewaarde komt.[96] In 2035 zou dat moeten gelden voor 74% van de gebieden.[97]

Effect: mogelijk stijging uitstoot[bewerken | brontekst bewerken]

Een platform voor onderzoeksjournalistiek Investico onderzocht samen met EenVandaag en De Onderzoeksredactie Brabant de maatregelen van minister Schouten en rekende de effecten daarvan door. Begin juni 2021 werden de resultaten gepubliceerd. De conclusie was dat de maatregelen mogelijk tot (veel) meer stikstofuitstoot zullen leiden, niet tot minder. De oorzaak ligt in de vergunningsruimte van bestaande bedrijven.

De commissie Remkes had geconstateerd dat vergunningen voor bedrijven niet uitgaan van de daadwerkelijke uitstoot maar van mogelijke uitstoot ooit; in voorkomende gevallen kan de vergunningsruimte een factor acht hoger liggen dan de werkelijke uitstoot. De totale vergunningsruimte voor alle veehouderijen samen ligt een derde boven de werkelijke uitstoot en voor de industrie zestig procent boven de werkelijke uitstoot. De commissie Remkes had dan ook als prioriteit gesteld om het verhandelen van deze tot dan toe ongebruikte vergunningsruimte te beperken. De provincies gaven hieraan gehoor en stelden hier regels voor op.

Boeren reageerden fel op deze mogelijke inperking van de mogelijkheid om aan stikstofuitstoot geld te verdienen en kwamen in actie met trekkers; toen gedeputeerde Johannes Kramer op 11 oktober 2019 in Friesland geconfronteerd werd met honderden boze boeren op trekkers gaf hij toe en trok de regels in. Kramer werd hierin later gesteund door minister Schouten, die landelijk regelde dat de ongebruikte vergunningsruimte verhandeld mocht blijven worden. Wel werd een korting van 30% ingesteld bij het verhandelen van vergunningsruimte, wat zal leiden tot vermindering van vergunningsruimte. Op termijn kan dat betekenen dat de vergunningsruimte in de buurt gaat komen van de huidige uitstoot, maar het kan gemakkelijk betekenen dat de uitstoot van het huidige niveau zal stijgen richting totale vergunningsruimte. [98][99]

Plannen vanuit de polder, mei 2021[bewerken | brontekst bewerken]

In mei 2021 presenteerden Bouwend Nederland, LTO Nederland, Natuurmonumenten, Natuur & Milieu, VNO-NCW en MKB Nederland een gezamenlijk plan dat zou leiden tot een reductie van 40% in 2030, mits het Rijk minimaal 1,7 miljard per jaar investeert.[100] In juli 2021 stelde het CDA, van oudsher een 'boerenpartij', in een nieuwe landbouwvisie voor het eerst voor om de veestapel in te krimpen om zo tegen 2030 de stikstofuitstoot te halveren (ambitieuzer dan demissionair kabinet-Rutte III, dat tegen 2030 een stikstofreductie van 26% had afgesproken). Daarbij werd niet gerept van een inkrimpingspercentage en ook benadrukt dat er geen boeren mochten worden gedwongen om te stoppen, maar dat er wel meer geld moest worden besteed aan het uitkopen van boeren die dat wilden en aan het stimuleren van de overblijvende boeren om natuurvriendelijker te opereren.[101]

Doelstelling emissiereductie per gebied, juni 2022[bewerken | brontekst bewerken]

Kaart met de richtinggevende emissiereductiedoelstellingen per gebied, juni 2022

Een nieuwe minister van Natuur en Stikstof in het op 10 januari 2022 aangetreden kabinet-Rutte IV, Christianne van der Wal (VVD) presenteerde in juni 2022 de doelstellingen per regio, waarbij in detail is uitgewerkt met hoeveel procent de stikstofuitstoot omlaag zou moeten.[102] De doelstellingen in het zogeheten "Nationaal Plan Landelijk Gebied"[103] zijn met name gericht op de veehouderij. De grootste reducties zijn nodig in de Gelderse Vallei, de Veluwe, het Groene Hart, de Peel en op zandgronden in Oost- en Zuid-Nederland. Zo moeten uitstoot van ammoniak In de Gelderse Vallei met 80% dalen. In bufferzones van 1 kilometer rondom Natura2000 gebieden zou de stikstofuitstoot met 70% gereduceerd moeten worden.[102] In gebieden met kleigrond zijn kleinere reducties nodig, maar ook daar gaat het om rond de 12%. Op basis van deze doelstellingen moeten de provincies in een jaar bedenken welke maatregelen ze willen nemen. [104]

Na de publicatie van de doelstellingen kwamen er direct protesten vanuit de boeren.[105] Ook bij het woonhuis van minister Van der Wal werd geprotesteerd.[106] Uit onderzoek blijkt dat een 45% van de Nederlandse bevolking de boeren steunt in hun protest tegen de plannen. 25% is neutraal en 26% is het oneens met de boeren.[107]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Op andere Wikimedia-projecten